Voedingsintolerantie en allergie
Intoleranties (IgG antistoffen)
​
Pre-screening uitgebreid plus IgE-totaal, 31 voedingsmiddelen
Deze voedingsscreening bestaat uit een combinatie van de Pre-screening plus IgE (7 voedingsmiddelen) en de Voedingsscreening klein (24 voedingsmiddelen).
Op basis van de Pre-screening wordt bepaald of de kleine voedingsscreening wordt getest op IgG of IgG4.
Daarnaast wordt de totale waarde van IgE gemeten in het bloed. Dit geeft aan of er eventueel ook sprake is van een allergie. Bij een verhoogde waarde van IgE is verder onderzoek noodzakelijk om de bron van de allergie te achterhalen.​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​

​​​​​​​​​​​​​​​​​​IgG Voedingsscreening klein, 24 voedingsmiddelen
Deze screening is aanbevolen voor milde reacties en test de 24 meest voorkomende voedingsallergenen.
NB. Er is bij deze parameter een analytische verstoring mogelijk bij hoog gedoseerde suppletie met biotine. Hierdoor kan er een vals-negatief of vals-positief optreden. Daarom geldt het volgende advies:
Bij inname van > 5 mg biotine per dag, moet dit 8 uur voor de bloedafname worden gestaakt.
Bij inname van > 100 mg biotine per dag, moet dit minstens 5 dagen voor de bloedafname worden gestaakt.

​​IgG Melk- en eierenscreening, 24 voedingsmiddelen
Deze screening is aanbevolen bij klasse 3, 4 of 5 reacties vanuit een positieve pre-screening op melk, caseïne en ei.
Een klasse 0, 1 en 2 reactie is een normale reactie van het immuunsysteem op een blootstelling.
​
Reacties in klasse 3, 4 en 5 duiden op een verhoogde immuunrespons op het betreffende voedingsmiddel.
Een verhoogde IgG-immuunrespons wijst op een reactie met min of meer trage symptomen zoals chronische hoofpijnklachten, eczeem, vermoeidheid, of diarree.
Voedingsmiddelen met een verhoogde immuunrespons moeten uit het dieet worden weggelaten gedurende:
Klasse 3: eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 3 maanden
Klasse 4: volledige eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 6 maanden
Klasse 5: volledige eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 12 maanden​​

IgG Granen en notenscreening, 40 voedingsmiddelen
Deze screening is aanbevolen bij klasse 3, 4 of 5 reacties vanuit een positieve pre-screening op aardappels of tarwe.
Reacties in klasse 3, 4 en 5 duiden op een verhoogde immuunrespons op het betreffende voedingsmiddel.
Een verhoogde IgG-immuunrespons wijst op een reactie met min of meer trage symptomen zoals chronische hoofpijnklachten, eczeem, vermoeidheid, of diarree.
Voedingsmiddelen met een verhoogde immuunrespons moeten uit het dieet worden weggelaten gedurende:
Klasse 3: eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 3 maanden
Klasse 4: volledige eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 6 maanden
Klasse 5: volledige eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 12 maanden​​​​​​​​​

IgG Vlees- en visscreening, 40 voedingsmiddelen
Deze screening is aanbevolen bij klasse 3, 4 of 5 reacties vanuit een positieve pre-screening op ei (kip) of vanuit de kleine voedingsscreening op varkensvlees, rundvlees of vis.
Reacties in klasse 3, 4 en 5 duiden op een verhoogde immuunrespons op het betreffende voedingsmiddel.
Een verhoogde IgG4-immuunrespons wijst op meer snelle reacties zoals directe vermoeidheid, roodheid, uitslag, oedeem, tintelingen op de lippen of in de mondholte, etc.
Voedingsmiddelen met een verhoogde immuunrespons moeten uit het dieet worden weggelaten gedurende:
Klasse 3: eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 3 maanden
Klasse 4: volledige eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 6 maanden
Klasse 5: volledige eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 12 maanden​​​​​​​​​​​​​​​​

IgG fruit en groentescreening, 88 voedingsmiddelen
Deze screening is aanbevolen bij klasse 3, 4 of 5 reacties vanuit een positieve prescreening op appel, kiwi of aardappel.
Reacties in klasse 3, 4 en 5 duiden op een verhoogde immuunrespons op het betreffende voedingsmiddel.
Een verhoogde IgG-immuunrespons wijst op een reactie met min of meer trage symptomen zoals chronische hoofpijnklachten, eczeem, vermoeidheid, of diarree.
Voedingsmiddelen met een verhoogde immuunrespons moeten uit het dieet worden weggelaten gedurende:
Klasse 3: eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 3 maanden
Klasse 4: volledige eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 6 maanden
Klasse 5: volledige eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 12 maanden​​​​​​​​​​​​

IgG Daily's screening, 88 voedingsmiddelen
Deze screening is nuttig bij klasse 3, 4 of 5 reacties in de pre-screening op één of meer voedingsmiddelen. De Daily's-screening bevat voedingsmiddelen die dagelijks geconsumeerd worden (soms onbewust). Bovendien is het nuttig om een Daily's screening IgG1-4 te laten uitvoeren als de pre-screening geen significante reacties vertoont, maar klinisch een voedselafhankelijk reactiebeeld toont.
eacties in klasse 3, 4 en 5 duiden op een verhoogde immuunrespons op het betreffende voedingsmiddel.
Een verhoogde IgG-immuunrespons wijst op een reactie met min of meer trage symptomen zoals chronische hoofpijnklachten, eczeem, vermoeidheid, of diarree.
Voedingsmiddelen met een verhoogde immuunrespons moeten uit het dieet worden weggelaten gedurende:
Klasse 3: eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 3 maanden
Klasse 4: volledige eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 6 maanden
Klasse 5: volledige eliminatie uit het dieet gedurende tenminste 12 maanden​​​

Allergieen (IgE antistoffen)​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​
IgE Voedingsscreening klein, 20 voedingsmiddelen
Bepaling allergie voor 20 veel voorkomende voedingsallergenen.
NB. Er is bij deze parameter een analytische verstoring mogelijk bij hoog gedoseerde suppletie met biotine. Hierdoor kan er een vals-negatief of vals-positief optreden. Daarom geldt het volgende advies:
Bij inname van > 5 mg biotine per dag, moet dit 8 uur voor de bloedafname worden gestaakt.
Bij inname van > 100 mg biotine per dag, moet dit minstens 5 dagen voor de bloedafname worden gestaakt.

IgE Voedingsscreening klein, 40 voedingsmiddelen
De volgende 40 voedingsmiddelen worden op allergie getest
NB. Er is bij deze parameter een analytische verstoring mogelijk bij hoog gedoseerde suppletie met biotine. Hierdoor kan er een vals-negatief of vals-positief optreden. Daarom geldt het volgende advies:
Bij inname van > 5 mg biotine per dag, moet dit 8 uur voor de bloedafname worden gestaakt.
Bij inname van > 100 mg biotine per dag, moet dit minstens 5 dagen voor de bloedafname worden gestaakt.

IgE Voedingsscreening klein, 80 voedingsmiddelen
De volgende 80 voedingsmiddelen worden op allergie getest
NB. Er is bij deze parameter een analytische verstoring mogelijk bij hoog gedoseerde suppletie met biotine. Hierdoor kan er een vals-negatief of vals-positief optreden. Daarom geldt het volgende advies:
Bij inname van > 5 mg biotine per dag, moet dit 8 uur voor de bloedafname worden gestaakt.
Bij inname van > 100 mg biotine per dag, moet dit minstens 5 dagen voor de bloedafname worden gestaakt.

IgE Inhalatie-allergenen
In de IgE-inhalatiescreening wordt getest op 9 verschillende groepen (pools) met op elkaar lijkende inhalatie-allergenen. Het betreft boompollen van vroeg- en laatbloeiende boomsoorten, huidschilfers van gedomesticeerde dieren, vroegbloeiende en laatbloeiende grassoorten, huisstofproducerende organismen, knaagdieren, pluimvee en huisschimmels.
NB. Er is bij deze parameter een analytische verstoring mogelijk bij hoog gedoseerde suppletie met biotine. Hierdoor kan er een vals-negatief of vals-positief optreden. Daarom geldt het volgende advies:Bij inname van > 5 mg biotine per dag, moet dit 8 uur voor de bloedafname worden gestaakt.Bij inname van > 100 mg biotine per dag, moet dit minstens 5 dagen voor de bloedafname worden gestaakt.

Overige​​​​​​​​​​​​​​​​​​​​
Glutenintolerantie: anti-gliadine en anti-transglutaminase
Bij een glutenintolerantie vormt het lichaam antistoffen tegen de gluten (anti-gliadine IgA) en tevens tegen eigen lichaamsstructuren (anti-transglutaminase IgA), die dan in de ontlasting kunnen worden opgespoord. Een verhoogd gehalte aan anti-transglutaminase in de ontlasting is typerend voor patiënten met coeliakie. Het anti-transglutaminase-onderzoek wordt uitgevoerd ter bevestiging van een verhoogd anti-gliadine gehalte.
Er is veel bewijs voor de stelling dat de ziekte van Dühring, een zeldzame ontstekingsziekte van de huid met een herpesachtig karakter (dermatitis herpetiformis), een symptoom is van coeliakie. Onderzocht wordt of ook andere huidaandoeningen zoals psoriasis, een relatie hebben met glutenintolerantie. Ook bij mensen met psoriasis werd namelijk bij meerdere studies een verhoogd gehalte aan anti-gliadine IgA gevonden. Voor ziekten waarvan vaststaat dat zij door gluten worden veroorzaakt zoals coeliakie en de ziekte van Dühring, geldt dat er verbetering optreedt indien men een glutenvrij dieet gebruikt. Voeding zou volgens sommige behandelaars een grote invloed hebben op de symptomen van ADHD, wanneer onder andere een glutenvrij, zuivelvrij en suikervrij dieet wordt toegepast.
Indien een verhoogd anti-gliadine IgA-gehalte in de ontlasting wordt geconstateerd is het raadzaam om gedurende zes weken een glutenvrij dieet te volgen. Daarna wordt deze test opnieuw uitgevoerd. Als de waarde dan nog steeds verhoogd is, wordt verder onderzoek aangeraden. Een biopt van de dunne darm is één van de mogelijkheden.
Lactose DNA-onderzoek
Het LCT-gen levert instructies voor het maken van een enzym genaamd ‘lactase’. Dit enzym helpt lactose, een suiker in melk en andere zuivelproducten, te verteren. Voordat de melksuiker lactose wordt opgenomen via de dunne darmwand, moet het eerst worden gesplitst. Lactase is het enzym dat het disacharide lactose (melksuiker) splitst in galactose en glucose. Als deze splitsing niet of onvoldoende plaatsvindt, komt er lactose in de dikke darm. Hier vergisten de darmbacteriën alle suikers, zetmeel en voedingsvezels. Daarbij worden korte-keten-vetzuren en gassen gevormd. Als er teveel suikers in de dikke darm komen, kunnen klachten als buikpijn, een opgezette buik, winderigheid en diarree ontstaan.
Een lactose-intolerantie kan ontstaan doordat de dunne darmwand door ziekte is aangetast. De lactose-intolerantie is dan verworven (secundaire lactose-intolerantie). Na herstel van de darmwand kan deze vorm van lactose-intolerantie zijn opgelost.
Bij personen met de zogeheten ‘wildtype’ vorm van het LCT-gen verdwijnt de lactase-activiteit na de kinderleeftijd. Hierdoor ontstaat lactose-intolerantie wat bij het nuttigen van lactose leidt tot buikkrampen en diarree. De genetische code van het wildtype is -13910-C.
De meeste Noord-Europeanen hebben geen last van lactose-inname omdat ze een mutatie (-13910C>T, -13907C>G, -13913T>C, -13914 G>A en - 13915 T->G) in het LCT-gen hebben waardoor het LCT-gen na de zuigelingenperiode op hetzelfde niveau tot expressie komt. Indien slechts één van de twee allelen een mutatie bevat (heterozygotie), dan is er nog voldoende lactase-activiteit om normale porties lactose bevattende voedingsmiddelen te kunnen verdragen. Andere bevolkingsgroepen, zoals bijvoorbeeld Aziaten, hebben deze mutaties veelal niet in het LCT-gen, waardoor lactose-intolerantie veel voorkomt.
Er is echter ook een primaire vorm van lactose-intolerantie waarbij het lichaam helemaal geen lactase produceert. Deze vorm heet Congenitale Lactase Deficiëntie (CLD). Deze vorm komt al op zuigelingenleeftijd tot uiting door onder andere braken en diarree. Zelfs borstvoeding wordt dan niet verdragen. Het is van belang dat deze vorm tijdig wordt onderkend. Lactose moet dan namelijk volledig worden uitgesloten uit de voeding.
NB: Omdat het een genetisch onderzoek betreft, wordt de cliënt verzocht een verklaring te ondertekenen waarin hij/zij toestemming verleent voor het uitvoeren van het Lactose DNA-onderzoek. Het DNA wordt uitsluitend gebruikt voor dit onderzoek en niet voor andere doeleinden.
Fructose DNA-onderzoek
Het Aldolase-B-gen levert instructies voor het maken van een enzym genaamd ‘aldolase’ dat onontbeerlijk is voor de verwerking van koolhydraten. Mutaties van het Aldolase-B-gen zijn de oorzaak van HFI (Hereditary Fructose Intolerance), een potentieel fatale aangeboren stofwisselingsaandoening.
Fructose-intolerantie en HFI (Hereditary Fructose Intolerance) zijn twee verschillende stofwisselingsaandoeningen, waarbij fructose in het dieet voor problemen zorgt.
Een fructose-intolerantie is vergelijkbaar met een lactose-intolerantie. In dit geval wordt fructose niet door de dunne darm opgenomen. Normaliter wordt fructose via een speciaal transporteiwit in de darmwandcellen opgenomen. Wanneer dit eiwit niet aanwezig is, komt het niet opgenomen fructose in de dikke darm terecht. Hier wordt het fructose snel gefermenteerd door de daar aanwezige darmbacteriën. Hierbij ontstaan zuren en gassen, zoals koolzuurgas en waterstofgas. Deze gassen zorgen voor problemen zoals buikpijn, krampen en winderigheid. Diarree komt ook vrij veel voor bij fructose-intolerantie.
Er is echter ook een genetische (dus primaire) vorm van fructose-intolerantie, HFI, waarbij het lichaam het benodigde enzym om fructose af te breken in de lever mist. Het ontbrekende enzym is aldolase-B, dat fructose-1-fosfaat omzet in DHAP en glyceraldehyde. Hierdoor kan de fructose niet verder omgezet worden dan fructose-1,6-bifosfaat. Dit houdt fosfaten vast en het overtollige fructose wordt opgeslagen in de lever, nieren en dunne darm.
Glucose kan nog wel worden vrijgemaakt uit glycogeen, maar niet via gluconeogenese. Het gevolg is een zware hypoglycaemie (een sterke daling van de bloedsuikerspiegel) na het eten van fructose. Een hypoglycaemie wordt normaal alleen gezien in mensen met diabetes. Andere symptomen kunnen zijn buikpijn en overgeven na het eten van fructose of enkele andere suikers die via hetzelfde enzymsysteem worden afgebroken.
In kinderen met HFI kan het veelvuldig eten van fructose uiteindelijk de lever- en nierfunctie aantasten, wat uiteindelijk de dood tot gevolg kan hebben. Dit maakt HFI dus tot een ernstige en potentieel gevaarlijke erfelijke aandoening. Dit in tegenstelling tot gewone fructose-intolerantie.
Een DNA-test op fructose-intolerantie uit EDTA-plasma kan uitsluitsel geven, maar als de test geen HFI aantoont, betekent dit niet dat die persoon het ook daadwerkelijk niet heeft. Een leverbiopsie of een fructose-tolerantietest waarbij fructose wordt geïnjecteerd en vervolgens glucose en fosfaat in het bloed wordt gemeten, kunnen uitsluitsel geven.
De behandeling bestaat uit een levenslang strikt fructose-, sacharose- en sorbitolvrij dieet.
NB: Omdat het een genetisch onderzoek betreft, wordt de cliënt verzocht een verklaring te ondertekenen waarin hij/zij toestemming verleent voor het uitvoeren van het Fructose DNA-onderzoek. Het DNA wordt uitsluitend gebruikt voor dit onderzoek en niet voor andere doeleinden.
Histamine
Dit is een biochemische stof (biogene amine) die betrokken is bij verscheidene fysiologische processen. Het speelt een rol in het maagdarmkanaal, fungeert als neurotransmitter in het centrale zenuwstelsel en heeft een functie in het afweersysteem. Histamine wordt in het maagdarmkanaal vrijgezet bij allergische reacties veroorzaakt door voeding, verteringsproblemen, parasitaire infecties of de aanwezigheid van de darmbacterie Helicobacter pylori. Het wordt vrijgemaakt uit mestcellen en basofiele granulocyten. Wanneer het enzym DAO (Diamineoxidase) niet voldoende aanwezig is, wordt histamine niet (voldoende) afgebroken en zal de hoeveelheid histamine en daarmee samengaande klachten toenemen.
