Darmonderzoeken
Basisscreening darm
​
Waarom
Bepaling kwantiteit en kwaliteit van darmbiota en slijmvliesimmuniteit, aanwezigheid van ontstekingen en Leaky Gut, dysbiose en voedingsallergie.
​
Wat
Een zeer uitgebreid onderzoekspakket, dat is samengesteld uit meerdere losse onderzoeken:
​
-Spijsvertering
Bij deze test worden de kleur, consistentie, pH-waarde en spijsverteringscapaciteit bepaald. De spijsverteringscapaciteit wordt bepaald door te kijken naar de aanwezige hoeveelheid spiervezels, zetmeel en vetzepen in de ontlasting.
-pH
De pH-waarde van feces geeft een aanwijzing voor de stofwisselingsprocessen in de darm.
pH is een maat voor de zuurgraad ofwel relatieve sterkte van zuren en basen in een waterige oplossing. De pH wordt berekend met het aantal waterstofionen dat aanwezig is.
De pH van een neutrale waterige oplossing ligt bij kamertemperatuur rond de 7. Zuren hebben een pH tussen 0 en 7 en sterke basen hebben een pH tussen 7 en 14.
-Resident darmbioom
Het humane colon bevat 10¹¹ bacteriën per gram en heeft daarmee de grootste populatie bacteriën in het lichaam. De meeste hiervan zijn anaëroob.
De darmbiota bestaat uit een residente en een transiënte darmbiota. Deze bestaan uit aërobe, anaërobe en micro-aerofiele darmbacteriën.
De residente darmbiota bestaat uit darmbacteriën die voor de fysiologische processen in de darmen absoluut noodzakelijk zijn. De exacte samenstelling ervan ontwikkelt zich in de eerste levensjaren en is net zo persoonlijk als een vingerafdruk.
De residente darmbiota bestaat uit de volgende bacteriën:
-
Anaërobe bacteriën: Bacteroïdes species, Bifidobacterium species
-
Aërobe bacteriën: Escherichia coli, Enterococcus species
-
Micro-aërofiele bacteriën: Lactobacillus species
​
-Transiënt darmbioom
Het humane colon bevat 10¹¹ bacteriën per gram en heeft daarmee de grootste populatie bacteriën in het lichaam. De meeste hiervan zijn anaëroob.
De darmbiota bestaat uit een residente en een transiënte darmbiota. Deze bestaan uit aërobe, anaërobe en micro-aerofiele darmbacteriën.
De transiënte darmbiota, ook wel passerende darmbiota genoemd, wordt via de voeding opgenomen. Ze bestaat uit bacteriën die tot op zekere hoogte worden getolereerd, maar ze hebben in het algemeen geen nut en sommige zijn ziekteverwekkend.
De transiënte darmbiota bestaat uit:
-
Anaërobe bacteriën: Clostridium species
-
Aërobe bacteriën: Pseudomonas species, Enterobacteriaceae groep 1 (o.a. Proteus species) en groep 2 (o.a. Klebsiella species, Enterobacter species)
-
Obligaat pathogene bacteriën: Salmonella species, Shigella species, Yersinia species
Een belangrijk onderdeel van het in kaart brengen van de aërobe transiënte darmbiota is het onderzoek naar Enterobacteriën. Hierbij staat het kwalitatief determineren van de diverse species van de Enterobacteriaceae centraal. Onder de Enterobacteriaceae species bevinden zich namelijk een aantal species die diverse pathogene eigenschappen hebben. Enkele obligaat pathogene species uit deze familie zijn Salmonella, Shigella, en Yersinia species. Ureaseproducerende species als Proteus species, kunnen bij patiënten met een verminderde leverfunctie de ammoniumconcentratie in serum verhogen. Diverse species van de Enterobacteriaceae zijn betrokken bij reumatoïde reacties, waaronder Enterobacter- en Klebsiella species.
-Mycologie
Bij deze test vindt kwantitatieve detectie plaats van de verschillende, in de feces (mogelijk) aanwezige gisten: Candida albicans, Candida glabrata, Candida krusei, Candida parapsilosis en Candida tropicalis en overige gisten en schimmels: Aspergillus fumigatus, Aspergillus niger en Mucor species en overige schimmels.
​
​
Deze test is geïndiceerd bij symptomen die kunnen wijzen op aandoeningen van het maagdarmkanaal en daarvan afgeleide immunologische aandoeningen.
Verhoogde hoeveelheden gisten en/of schimmels in de darmen zijn altijd een teken van een intestinale dysbiose. De test geeft echter geen uitsluitsel over de vraag of de aanwezigheid van de gedetecteerde gisten en schimmels de oorzaak of het gevolg van de aandoening zijn.
-Virulente factoren darmbioom
Virulentie is het vermogen van een micro-organisme om te wedijveren met de omgevende darmbiota, weefsel te beschadigen en/of de verdedigingsmechanismen van de gastheer te weerstaan.
Virulente factoren zijn enzymen afgescheiden door micro-organismen die ervoor zorgen dat het micro-organisme ziekteverwekkend wordt voor de mens. In een eubiotische darmbiota komen geen virulente factoren voor. Virulente factoren worden gevormd door een pathogene biofilm. Deze biofilm ontstaat wanneer gramnegatieve bacteriën via ‘qorum sensing’ elkaars aanwezigheid bemerken en gezamenlijk een nieuw ‘organisme’ vormen, compleet met een eigen (plasmide) DNA. Enig doel van deze biofilm is zichzelf in stand houden, ten koste van de gastheer. De virulente factoren zijn enzymen die de biofilm daarbij produceert.
​
Bij dit onderzoek wordt er gekeken in hoeverre de darmbiota van de patiënt in staat zijn schadelijke effecten uit te oefenen. Het betreft een kwalitatief onderzoek van de darmbiota dat vooral van belang is bij chronische ziekten en recidieven. De virulente factoren die bij dit onderzoek onderzocht worden zijn:
Coagulase
Gelatinase
Haemolysine
Katalase
Urease
Een verhoging van één of meer van de virulente factoren is altijd een indicatie voor een functionele dysbiose.
​
-Alfa-1-antitrypsine
Detecteren van darmontstekingen, Leaky Gut Syndroom en voedingsintoleranties.
Alpha-1-antitrypsine (α-1-antitrypsine) is een ontstekingsremmer, die in lever- en darmcellen wordt geproduceerd. De lever produceert 2 gram per dag.
Het is een acute-faseproteïne, die onder andere ontstekingsenzymen remt en anti-proteolytisch werkt. Zo remt α-1-antitrypsine de werking van het enzym elastase. Elastase breekt elastine af, een belangrijk onderdeel van bindweefsel. Alfa-1-antitrypsine wordt gemeten in feces en is uitermate geschikt om in een heel vroeg stadium ontstekingen te detecteren.
​
NB: Alfa-1-antitrypsine neemt met de tijd toe wanneer de ontsteking toeneemt. Echter α-1-antitrypsine zal dalen indien de ontsteking verder toeneemt dan α-1-antitrypsine kan beheersen. De analysewaarde dient daarom altijd te worden beoordeeld naast ontstekingswaarden zoals calprotectine, PMN Elastase, lysozyme, wrCRP en lactoferrine.
-EPX
Eén van de vier grootste eiwitten die voorkomen in de granules van menselijke eosinofiele leukocyten (granulocyten). Ze spelen een sleutelrol bij het allergische ontstekingsproces. EPX wordt als parameter in feces gebruikt om ontstekingen en atopische eczemen door allergieën en/of voedingsintoleranties op te sporen, de mate van activiteit van de aanwezige ontstekingen te meten en de werkzaamheid van een eliminatiedieet te testen. Ervaring leert dat EPX ook reageert op parasitaire infecties.
​
-Secretorisch IgA
Secretorisch immunoglobuline A (sIgA) maakt deel uit van het immuunsysteem in de darmen. Het bestaat uit twee, door een peptide gekoppelde, IgA-antilichamen. Het wordt in de darmwand geproduceerd door de plasmacellen van de ‘lamina propria’. De belangrijkste functie van IgA is het beschermen van het lichaam tegen binnendringen van allerlei ziekteverwekkers door de aanwezigheid in traanvocht, colostrum, gal en van de klieren van lucht- en urinewegen en maag-, darmstelsel. sIgA geeft duidelijkheid over de kwaliteit van het darmgeassocieerde immuunsysteem.
Een afwijkende uitslag, dus te veel of te weinig secretorisch IgA, geeft aan dat het afweermechanisme van de darmen onvoldoende functioneert.
​
-Bèta-defensine 2
Een antimicrobiële peptide. Het wordt endogeen aangemaakt door de neutrofiele granulocyten en is onderdeel van het aangeboren immuunsysteem (eerstelijns afweer). Het geeft inzicht in de activiteit van de niet-specifieke slijmvliesimmuniteit.
​
-Ontstekingsscreening (PMN elastase en een kwalitatieve bepaling van de ontstekingsmarkers: calprotectine, lactoferrine, hemoglobine en transferrine)
Het menselijk organisme reageert met een ontstekingsreactie op aanvallen van binnendringende pathogenen (micro-organismen en virussen) of bij beschadigd weefsel (na ongelukken of een operatie).
In deze kwalitatieve ontstekingsscreening wordt de aanwezigheid bepaald van de ontstekingsgemedieerde parameters calprotectine, lactoferrine, hemoglobine en transferrine (negatief = 0 / positief = 1). Bij een positieve waarde van één van deze parameters in de ontlasting, adviseren wij om de betreffende parameter(s) ook kwantitatief te laten bepalen.
Daarnaast wordt de parameter PMN-elastase bepaald. De waarde van PMN elastase is regelmatig verhoogd, zonder dat de voorgenoemde ontstekingsmarkers aanwezig zijn.
De parameters calprotectine en lactoferrine zijn nuttig bij de differentiatie tussen functionele (b.v. prikkelbare darmsyndroom) en organische ziekten (b.v. chronische darmontstekingen). Onder gastro-intestinale ontstekingsziekten vallen ook de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa. Een hoog vermoeden hiervan kan zijn bij patiënten die persistente (≥ 4 weken) of terugkerende (≥ 2 voorvallen per half jaar) buikpijn of diarree hebben. De aanwezigheid van rectale bloedingen, gewichtsverlies of anemie verhoogd de waarschijnlijkheid van de ziekten. Endoscopische onderzoek met histopathologische monsterafname is hierbij vaak onmisbaar voor de diagnose.
​
N.B. Patiënten moeten geen fecesmonsters van deze test nemen als ze menstrueren, bloedende aambeien of bloed in de urine hebben of als er hard is geperst bij de toiletbeurt!
​
​
Maldigestie/malabsorptie
​
Bij deze test worden de parameters pancreas-elastase en galzuren gemeten. Dit geeft informatie over de opname van voedingsstoffen, met name vetten, en het functioneren van de pancreas.
De alvleesklier (pancreas), produceert het verteringsenzym elastase. In tegenstelling tot de andere eiwitsplitsende enzymen, blijft elastase ook nadat het de darmen gepasseerd is actief. Daardoor kan door onderzoek van het elastasegehalte in de ontlasting worden aangetoond of de alvleesklier voldoende functioneert.
Als er door een aandoening onvoldoende enzymen in de dunne darm terechtkomen voor een goede vertering van de voeding, kan het lichaam de voedingsstoffen, vooral de vetten, niet goed opnemen.
Galzouten worden geproduceerd in de lever en opgeslagen in de galblaas. Na het nuttigen van een maaltijd worden ze afgegeven in de dunne darm waar ze belangrijk zijn voor ondermeer het afbreken van vetten. Onder normale omstandigheden wordt meer dan 95% van de galzouten weer opgenomen in het laatste deel van de dunne darm om terug te keren naar de lever. Een teveel aan galzouten in de darm stimuleert water afscheiding, hetgeen diarree veroorzaakt.
​
​
Bacteriële kolonisatie dunne darm (SIBO)
​
Detectie stofwisselingsstoornis, functionele stoornis en dysbiose van de dunne darm.
Deze zogenoemde UriColourtest, is gebaseerd op een kleurreactie tussen de stoffen Indican en Skatol in urine en een mengsel van salpeterzuur. Bij deze test ontstaan verschillende eenduidige kleurreacties in ringvorm. De ringvormige kleuring kan wijzen op een beginnende stofwisselingsstoornis of een functionele stoornis. Deze test is bijzonder geschikt om te onderzoeken of er sprake is van een dysbiose in de dunne darm.
​
Indican en skatol zijn afvalstoffen die in de urine terechtkomen als het aminozuur tryptofaan onvoldoende wordt afgebroken door bacteriën in de darmen. Een verhoogd gehalte aan deze afbraakproducten, is een aanwijzing voor een rottingveroorzakende dysbiotische darmbiota in het ileum (dunne darm). Dit wordt SIBO (Small Intestinal Bacterial Overgrowth) of SBOG (Small Bowel Overgrowth Syndrome) genoemd.
​
​
Dysbiose organische zurenscreening (SIBO)
​
Het darmbioom is een combinatie van miljarden bacteriën, schimmels en virussen die van nature in de darm leven. Het ontwikkelt zich gedurende ons hele leven met ons mee en wordt beïnvloed door onze genen, voeding en omgeving. Wanneer de verschillende soorten in darmbioom niet langer symbiotisch samenwerken, ontwikkelt zich een onbalans die dysbiose wordt genoemd. Dit betekent dat ziekteverwekkende microben in grotere aantallen groeien dan de "goede" microben. Dysbiose wordt in verband gebracht met darmaandoeningen zoals het prikkelbare darm syndroom, coeliakie en inflammatoire darmaandoeningen en met andere aandoeningen zoals obesitas, stofwisselingsstoornissen, hartaandoeningen, allergieën en astma.
De Dysbiose organische zurenscreening voor gisten en bacteriën meet de hoeveelheid van bepaalde organische zuren uit de eerste urine die 's ochtends wordt uitgeplast. Deze zuren worden geproduceerd door de micro-organismen in onze darm en bestaan uit giftige afbraakproducten, de organische zuren, die via de nieren worden uitgescheiden (zie Tabel 1). De organische zuren die worden onderzocht zijn: p-hydroxybenzoëzuur, benzoëzuur, dihydroxy-fenylpropionzuur, hippuurzuur, tricarballyzuur, wijnsteenzuur, citramalzuur, p-hydroxyfenylazijnzuur, m-hydroxyfenylazijnzuur, p-cresol, indican en d-arabinitol.
​
​
Ziekte van Crohn/Colitis ulcerosa-antistoffen
​
De Ziekte van Crohn/Colitis ulcerosa-antistoffentest onderzoekt de aanwezigheid van de Ziekte van Crohn of juist colitis ulcerosa.
Bij de Ziekte van Crohn worden bij ongeveer 70% van de Crohnpatiënten ASCA-antistoffen gevonden (anti-Saccharomyces cerevisiae). ASCA-antistoffen zonder p-ANCA antistoffen (anti neutrofiel cytoplasmatische auto-antistoffen) wijst op de ziekte van Crohn.
Verhoogde waarden van p-ANCA antistoffen met afwezigheid van ASCA-antistoffen wijst eerder op colitis ulcerosa.
​
​
Preventief onderzoek darmpoliepen
​
Dit programma bestaat uit een combinatie van onderzoeken die preventief toegepast kunnen worden bij mensen die tot de risicogroep voor colorectaal kanker behoren of bij mensen waarbij een vermoeden bestaat dat ze een colorectale tumor hebben. Bij afwijkende waarden is een colonoscopie aan te bevelen.
​
De volgende parameters worden getest:
-Tumor M2-PK
-Calprotectine
-Hemoglobine
-Hemoglobine-haptoglobinecomplex
​
​
Parasitologie
​
Parasieten veroorzaken chronische ontstekingen en grijpen in het metabolisme van de gastheer in. Parasieten kunnen bij een verstoorde darmbiota en verstoorde barrièreresistentie een sterk pathologisch potentiaal ontwikkelen.
Parasitologisch onderzoek vond oorspronkelijk plaats aan de hand van microscopisch ontlastingsonderzoek naar cysten, de ingekapselde parasiet. Als cyste kunnen parasieten langere tijd buiten het lichaam overleven, bijvoorbeeld in de bodem.
Er zijn echter parasieten die geen cysten vormen. Deze parasieten zijn zeer gevoelig voor zuurstof en zullen snel na afname van het fecesmonster verdwijnen.
Daarom is de TFT ontwikkeld, waarin parasieten worden gefixeerd en daarna via microscopisch onderzoek kunnen worden opgespoord. In dit onderzoek wordt eveneens immunologische getest op de antistoffen van een aantal veelvoorkomende parasieten.
Sinds 2010 is een nieuwe snelle en goedkopere methode beschikbaar voor het onderzoek naar parasitaire infecties, de qPCR methode, een DNA-onderzoek naar parasieten. De Polymerase Chain Reaction (PCR) is een snelle en zeer gevoelige methode om uit kleine hoeveelheden genetisch materiaal specifiek één of meer gedeeltes te vermenigvuldigen die dan geanalyseerd kunnen worden. De gevoeligheid van de PCR is hoger dan de gevoeligheid van het traditionele cysten/wormeierenonderzoek en de TFT. Wormeieren worden echter niet gedetecteerd in de PCR. Ook sporadisch voorkomende parasieten als Cyclospora en Isospora belli of apathogene soorten als Entamoeba coli, Endolimax nana of Iodamoeba butschlii worden met behulp van PCR niet gevonden. De PCR methode is dus zeer hoog sensitief, maar helaas enorm laag specifiek. Dat betekent dat de resultaten van de PCR methode zeer betrouwbaar zijn, echter worden slechts een zeer beperkt aantal parasieten getest. Daarom werkt RP Sanitas Humanus met de hoogwaardige, parasitologische Triple Feces Test (TFT).
De uitscheiding van parasieten is onregelmatig. Daarom worden bij deze test gedurende drie dagen fecesmonsters verzameld. Een ander kenmerk van deze test is dat op dag 1 en 3 als fixatief natriumacetaat azijnzuur formaline (SAF) wordt gebruikt. Dit zorgt ervoor dat de parasieten geconserveerd worden, waardoor ze niet uiteenvallen en dus goed gedetecteerd kunnen worden. Daarna worden de preparaten gekleurd volgens de Iron Haematoxylin Kinyoun methode (IHK-methode), een zeer goede kleuringsmethode. Op dag 2 wordt in het bijzonder de inwendige structuur (kernen, vacuolen) van mogelijke parasieten onderzocht met behulp van een directe Jodium-Kalium-Jodide (JKJ) kleuringsmethode. De zojuist genoemde kenmerken van de TFT zijn verantwoordelijk voor een veel hogere specificiteit en sensitiviteit ten aanzien van parasieten in feces, dan bij de conventionele methode, waarbij sedimentatie van verse feces plaatsvindt met ether. Ieder monster wordt microscopisch onderzocht op parasitologische verstoringen zoals wormen, wormeitjes en protozoën. Daarnaast vindt ook immunologisch onderzoek van de monsters plaats naar Entamoeba histolytica, Cryptosporidium en Giardia lamblia.
De afname van de 3 ontlastingsmonsters hoeft niet op 3 opeenvolgende dagen, maar kan met tussenpozen van meerdere dagen worden afgenomen, mits het 3 opeenvolgende momenten van ontlasting betreft. De 3 ontlastingsmonsters mogen echter niet op één en dezelfde dag worden afgenomen.
Het is dus van belang dat het parasitologisch onderzoek met de TFT wordt uitgevoerd, omdat hierbij, naast immunologisch, ook microscopisch onderzoek plaatsvindt, waardoor een veel groter bereik aan parasitaire verstoringen kan worden gedetecteerd.
​
​
Vetzurenprofiel darm
​
Korteketenvetzuren spelen een belangrijke rol in de darmgezondheid. De korteketenvetzuren azijnzuur (acetaat), propionzuur (propionaat) en boterzuur (butyraat) worden gevormd door microbiële fermentatie van vezels. Het darmbioom gebruikt verschillende koolhydraten en vezels zoals pectine, xylaan, resistent zetmeel of inuline als bron. De verhouding is sterk afhankelijk van het geconsumeerde voedsel en verhoogde of verlaagde niveaus van de individuele vetzuren kunnen niet per se als pathogeen worden beschouwd. Integendeel, het is belangrijk dat over het algemeen, de verhouding van de vetzuren 3:1:1 is, ongeveer 60% azijnzuur, 20-25% propionzuur en 15-20% boterzuur.
Dieetmaatregelen hebben een grote invloed op de synthese van deze korteketenvetzuren. Wateroplosbare vezels zoals inuline zijn zeer geschikt voor het stimuleren van de microbiële synthese van vetzuren. In water onoplosbare vezels zoals bijv. tarwezemelen kunnen slechts in beperkte mate worden gefermenteerd, maar zijn wel van groot belang voor de binding van stoffen die moeten worden uitgescheiden, zoals toxines of geconjugeerde hormonen in het darmlumen. Een evenwichtige balans van in wateroplosbare en onoplosbare vezels is daarom raadzaam.
​
​
Helicobacter pulori (kwalitatief)
​
Een bacterie die de productie van reactieve zuurstof- (ROS) en stikstofspecies (RNS) in de menselijke maag verhoogt. Dit heeft invloed op het ontstaan van (chronische) gastritis en de ontwikkeling van maagzweren en maagcarcinomen.
​
​
Lipopolysacchariden (endotoxine)
​
Lipopolysaccharide (LPS) is de belangrijkste component van het buitenmembraan van gramnegatieve bacteriën. Lipopolysaccharide bevindt zich in de buitenste laag van het membraan en wordt, in niet-ingekapselde stammen, blootgesteld aan het celoppervlak. Lipopolysaccharide is een krachtige stimulator van de aangeboren immuunrespons. Het lipide-anker van lipopolysaccharide, bekend als lipide A, is een uniek op glucosamine gebaseerd saccharolipide dat de buitenste monolaag van het buitenste membraan vormt. Lipide A-modificaties zijn variabel van organisme tot organisme, vaak gereguleerd en spelen een belangrijke rol bij pathogenese.
​
Endotoxine in het bloed heeft vergaande pathologische gevolgen. Een voortdurende lichte of matige toename van het endotoxinegehalte in het bloed, overbelast de detoxcapaciteit van de lever, waardoor laaggradige ontstekingsreacties (stille inflammatie) manifesteren, die voorloper zijn van chronische ontstekingsziekten. Zeer hoge systemische concentraties van LPS (acute endotoxemie) kan leiden tot koorts, bloeddrukverlaging, bloedstollings- en complementactivering; er kan zelfs een levensbedreigende shocktoestand ontstaan.
NB. Bij een hoge waarde van LPS, moet een vetrijk dieet worden vermeden!
​
​
Lysozyme
​
Dit is een enzym, ook wel muramidase genoemd, die de wand van een grampositieve bacterie aanvalt. Lysozyme is daarmee een antibacteriële afweer, aanwezig in het maagdarmkanaal. Het wordt afgescheiden door granulocyten, macrofagen, Paneth-cellen en Brunner's klieren, evenals normale coloncryptcellen. De belangrijkste bron van fecaal lysozyme zijn de intestinale granulocyten. Het komt voor in slijmvliezen, traanvocht, bloed, speeksel, sperma en ze worden vaak gevonden in witte bloedcellen. Lysozyme is nuttig bij de bepaling van ontstekingsactiviteit in de dikke darm in plaats van in de dunne darm.
​
Een hogere concentratie lysozymen ontstaat bij chronische ontstekingen, zoals bij tuberculose en sarcoïdose. Ook bij celwoekeringen, zoals bij leukemie, ontstaan er meer lysozymen.
​
​
wrCRP
​
(Wide Range C reactive protein) is een plasma-eiwit dat wordt geproduceerd in de lever en een paar uur na ontsteking wordt verspreid in de bloedbaan. Het behoort tot de zogenaamde acute fase-eiwitten. Naast de gebruikelijke CRP-bepaling is er ook een ultrasensitieve CRP-bepaling, of wrCRP beschikbaar, waarmee laaggradige ontstekingsreacties kunnen worden aangetoond. Het niveau van CRP kan plotseling duizend maal verhogen in reactie op een ontsteking en is daarom met name nuttig om de ziekteactiviteit in de gaten te houden. Tevens kan de reactie op therapie gemeten worden door het herstel van de CRP-niveaus te controleren.
​
Hoge wrCRP-waarden worden o.a. gevonden na een hartaanval, tijdens infectie, bij auto-immuunziekten en na een chirurgische ingreep. Ze wijzen op de aanwezigheid van ontstekingen, bijv. door een infectie of een chronische ontstekingsziekte, zoals reumatoïde artritis of lupus. Een hoog niveau van wrCRP in het bloed wordt geassocieerd met een verhoogd risico op hartaanvallen (> 1,9 mg/l) . Een CRP-test geeft echter niet de oorzaak van ontsteking aan en kan betekenen dat er ontsteking wordt veroorzaakt door iets anders dan hartproblemen.
De CRP-waarde is vaak het hoogst bij bacteriële infecties, pancreatitis, appendicitis, trauma, kanker en reuma. Matig verhoogde CRP-waarden passen meer bij virale infecties, tuberculose en chronische ontstekingen.
​
